Meer over Stichtelijk Woord

Meditaties van ds. E. van Meer

NIEUWJAAR

Lezen: Psalm 121

'En gij zult gedenken aan al den weg

dien u de HEERE uw God deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft.' 

Deuteronomium 8:2

Op hun woestijnreis waren de Israëlieten tot de grenzen van Kanaän genaderd. Weldra zouden zij Abrahams erfgebied mogen betreden en dan opende zich een nieuw tijdperk voor hen.

Mozes, de grijze aanvoerder, moest echter afscheid nemen; als een vader kreeg hij hun nog aller­lei op het hart te binden. Een nieuw tijdperk brak voor het volk aan; welnu, de lessen, uit het verleden opgezameld, waren voor de toekomst van uitnemend belang.

Zo vermaan­de Jehova's knecht: 'Gij zult gedenken aan al den weg dien u de HEERE uw God deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft.' De afgelegde tocht was een leerschool zowel voor Mozes' tijdgenoten als voor degenen die na hem leven zouden.

Hoe waarlijk had Jehova Zich geopenbaard in Zijn macht en wijsheid, in Zijn heiligheid en genade, in Zijn lankmoedigheid en gestrengheid. De reis der veertig jaren was een doorlopen­de bevestiging van het psalmwoord, dat de HEERE recht is in al Zijn weg en werk; die reis was tevens een gestadige aan­klacht tegen het ondankbare, ongelovige, rebellerende volk, dat de ontvangen weldaden vertrad.

Een nieuw jaar ligt, door Gods sparende en bewarende hand, vóór ons. Wij hebben de neiging in de toekomst te turen met de honderdvoudig herhaalde vraag: 'Hoe zal dit en hoe zal dat?' Het is een onvruchtbaar bedrijf; want zelfs de dag van morgen is gesluierd en op onze vragen krijgen wij geen antwoord.

Laat ons liever de wenk ter harte nemen die Jehova door Mozes' dienst aan de Kerk der eeuwen gaf: 'Gedenkt al de weg, die de HEERE u geleid heeft.'

Ook voor ons is het verleden een leerschool die wij niet straffeloos verontachtzamen. In de volgende meditaties hopen wij naar Gods onderwijzing verder te luisteren; de Heilige Geest besture ons daarbij, zodat wij, tot roem van de Drie-Enige, waarlijk 'heil en zegen' mogen inwachten op het nog onbetreden pad.

Ds. E. van Meer

Januari 2016

 

DE HERDER EN ZIJN SCHAPEN (1)

Lezen: Johannes 10:1–21

'Mijn schapen … Ik ken dezelve …'     Johannes 10:27

Wanneer zijn Gods gunstgenoten de schapen van Christus' kudde geworden? Vóór de grondlegging der wereld heeft de Vader hen aan Zijn Zoon gegeven.

Het geschenk, dat u ontvangt van iemand, die u zeer lief is, stelt u op hoge prijs. Zo is de Zaligmaker als een trouwe Herder voor Zijn volk. Ook u, geestelijk kleinen, die u niets durft toe-eigenen, staat onder Zijn hoede, want u behoort — evenzeer als de meer gevorderden — tot 's Vaders geschenk.

Wanneer zijn Gods gunstgenoten de schapen van Christus' kudde geworden? In de volheid des tijds, toen de Middelaar Zijn zoenoffer bracht.

Toen Jacob iets kostbaars aan Jozef wilde geven, schonk hij zijn zoon, wat hij met zijn zwaard en zijn boog - met gevaar voor zijn leven dus - uit de hand van de Amoriet genomen had. O, hoe grotelijks zal de Goede Herder dan op u gesteld zijn, volk van Sion; Hij kocht u tot de prijs van Zijn bloed, Hij ging voor u in de dood.

Wanneer zijn Gods gunstgenoten de schapen van Christus' kudde geworden? Voorwerpelijk in de stilte der eeuwigheid en in de volheid des tijds, maar tevens onderwerpelijk in het heden der genade.

'Wij dwaalden allen als schapen.' Doch nu gaat de Herder Zijn gekochten vergaderen. Daar komt de herdershond aan te pas; door de Wet en door tegenheden wordt het weerbarstige schaap in de engte gedreven, het moet zijn verzet eindelijk opgeven en met blijdschap voegt de Herder het bij Zijn kudde.

Een schaap heeft weinig middelen tot zelfverdediging, het is onbekwaam voor zichzelf te zorgen, het loopt als een dom schepsel telkens de verkeerde kant uit.

Wordt 's Heeren ver­zekering 'Ik ken ze' nu niet als muziek voor u? Hij kent uw weerloosheid, uw hulpeloosheid, uw onverstand en ... neemt Zijn schapen en lammeren liefderijk voor Zijn rekening. Zalig, wie mag mijnen: 'De HEERE is mijn Herder.'

Ds. E. van Meer

Februari 2016

 

DE HERDER EN ZIJN SCHAPEN (2)

Lezen: Johannes 10:22–42

'Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve ze, en zij volgen Mij.'

Johannes 10:27

Onze tekst zegt, dat Jezus' schapen door twee merktekenen van alle anderen onderscheiden zijn. Het eerste is aan hun oor: zij horen Zijn stem; het andere is aan hun voet: zij volgen Hem.

'Mijn schapen horen Mijn stem.' Dan moet het oor doorboord zijn door het hemelse 'Effatha', want van nature zijn wij doof en ongevoelig voor 's Heeren boodschap.

De wijze koning leerde: 'Een horend oor en een ziend oog heeft de HEERE gemaakt, ja, die beide' (Spr. 20:12). O, als dat aan ons bevestigd wordt! Dan wijkt de dood uit ons binnenste en komen er ritselingen des levens.

Wij luisteren, wanneer Christus' stem van genade spreekt, doch evenzeer wanneer Hij bestraffende woorden laat horen. Uit duizend stemmen herkennen wij de Zijne en met de Bruid mogen wij bij Zijn nadering uitroepen: 'Dat is de stem mijns Liefsten' (Hoogl. 2:8).

Een prediker is boeiend en welsprekend, maar hij snijdt het Woord niet recht; als gij doorboorde oren hebt, schudt gij uw hoofd, zeggende: 'Ik heb in de predicatie Zijn stem niet gehoord.' Laat een getrouwe leraar echter Gods waarheid uitdragen, zij het in gebrekkige vorm, en gij keert verblijd huiswaarts: 'Op de knecht en op zijn schotel heb ik niet gelet, maar er was zielenspijs, want ik hoorde Zijn stem.'

'Horen' sluit gehoorzaamheid in. Daarom zegt de Heere: 'Zij volgen Mij.' Zij volgen Hem als hun Profeet, hun Priester, hun Koning; zij volgen Hem door bezaaide en onbezaaide landen; zij volgen Hem onder het kruis en naar de glorie.

Ach, hoe dikwijls moeten zij echter belijden: 'Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond, dat onbedacht zijn herder heeft verloren.' Indien de kudde aan zichzelf ware overgelaten, zouden allen, na ontvangen genade, nog omkomen. Maar de Heere kent ze in hun gebreken en zij mogen Hem kennen in Zijn trouw. Zij komen Thuis; door Hem, door Hem alleen!

Ds. E. van Meer

Maart 2016

 

DE GASTEN VAN DE HEERE

Lezen: Mattheüs 14:13-21

'Die nu gegeten hadden, waren omtrent vijfduizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.'

Mattheüs 14:21

Van een rijke Gastheer is in ons tekstverhaal sprake. Er waren omtrent vijfduizend mannen; dus was het aantal vrouwen en kinderen minstens wel tweeduizend. En voor die allen had de Heere een genoegzaam deel!

In de loop der eeuwen is Zijn voorraad geenszins verminderd. Hij verzekert: 'Al wat u ontbreekt, schenk Ik, zo gij 't smeekt - niet karig of schriel, maar - mild en overvloedig.'

Lezer, lezeres, bent u begerig gemaakt naar de hemelse spijze, maar vraagt u schroomvallig: 'Zou er wel plaats voor mij zijn?'   Grijp moed en zeg: 'Heere, daar kan er toch nog altijd wel eentje bij, zonder dat U in verlegenheid geraakt.'

Wat was de aanbeveling der duizendtallen bij de Heiland dat Hij hen beweldadigde? Och, zij bezaten niets om zich op te beroemen. Zij waren hongerig en dat was voldoende aanbeveling bij de Ontfermer. Mensen die niets hebben, zijn welkom. Wat is het eenvoudig! Wat is het moeilijk! Ons vlees verzet zich tegen de bedelaarsgestalte; wij willen wel allerlei uit Gods voorraadsschuren ontvangen, doch voor het overige zullen wij zelf zorgen. De Heilige Geest drijve ons gedurig aan om ledige handen tot de Heere op te heffen.

Wij lezen dat de gasten neerzaten bij waardschappen (Markus 6:39). Eigenlijk staat er: als bloemperken. Op het groene gras deden de groepjes in hun veelkleurige kledij aan bloembedden denken. Ook innerlijk waren deze lieden veelkleurig, verschillend van aard en karakter. Maar de Zaligmaker spijzigde hen gelijkelijk. Hebt u de natuur van Martha of van Maria, van Petrus of van Johannes? Voor alle waarlijk hongerenden stelt de Heere Zijn brood ter beschikking.

En de kinderen werden niet vergeten. Dat is een boodschap voor onze jongens en meisjes. Doch ook voor de geestelijk kleinen, die schreien om voedsel. De Heere slaat geen vader of moeder in Israël over, maar evenmin een zuigeling in de genade.

Ds. E. van Meer

April 2016

 

DE SPIJZE VAN DE HEERE

Lezen: Psalm 145

'En nam de vijf broden en de twee vissen.'

Mattheüs 14:19b

Indien er onder de duizendtallen enigen zijn geweest die nog proviand bij zich hadden en daarvan gingen eten - zo hebben zij aan 's Heeren maaltijd niet deelgenomen. Het is ons onbekend of dit geval zich heeft voorgedaan.

Maar wél weet ik dat er in de gemeente worden aangetroffen die met Laodicea wanen 'geens dings gebrek' te hebben. Och, dat dezulken nog bepaald werden bij Maria's lofzang: 'Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld, en rijken heeft Hij ledig weggezonden' (Lukas 1:53). Dat zij nog leerden hun eigen knapzak, gevuld met stenen en zwijnendraf, weg te werpen, opdat er behoefte mocht komen aan het onvergankelijke voedsel.

Wat kreeg het hongerige volk? Brood en vis. Brood was voldoende geweest voor de gretige magen; doch de milde Gastheer gaf er nog enige toespijs bij (Johannes 21:5). Vriendelijk bood Hij naast het onmisbare brood ook het niet strikt noodzakelijke, een smakelijk hapje.

De Heere doet thans niet anders. Hij behandelt Zijn gunstgenoten allerminst als gevangenen die op water en brood zijn gezet. Nee, Zijn liefde bergt in de uitgereikte schotel een verrassing 'van vet vol merg (Jesaja 25:6), opdat de bondelingen zullen eten met verheuging des harten.

's Heeren gasten hebben verscheidene uren geen voedsel genuttigd. Menigeen zal derhalve een flinke portie verorberd hebben. Maar niemand wordt berispt om zijn gulzigheid; integendeel, met welgevallen ziet de Heiland hoe Zijn gaven met graagte worden ontvangen.

Wij ontmoeten soms mensen die de hemelse milddadigheid in den brede roemen; maar ondertussen verzuimen zij te eten hetgeen Gods goedheid hun verschaft. Hongeren en dorsten zulke veelpraters wel waarlijk naar de gerechtigheid?

Ik denk niet dat er tijdens de maaltijd van onze tekst druk gesproken wordt. Pas als het volk verzadigd is, komen de tongen los en wordt de Gastheer geprezen. Van Jezus' tafel staat er niet één slechts half-voldaan op; al Zijn gasten zullen Hem loven.

Ds. E. van Meer

Mei - juni 2016

 

DE UITDELERS VAN DE HEERE

Lezen: 1 Petrus 4:1-11

'Gaf Hij de broden den discipelen, en de discipelen gaven ze den scharen.'

Mattheüs 14:19 slot

Eer de Zaligmaker Zijn uitdeling begint, ziet Hij opwaarts naar de hemel. Zo deed Hij ook bij andere gelegenheden (Markus 7:34, Johannes 11:41). Door die blik naar omhoog bepaalt de Heere er ons bij hoe afhankelijk wij zijn: 'Alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven, van den Vader der lichten afkomende' (Jakobus 1:17).

Het gebed bij de maaltijd is daarom een gewoonte die niet worde nagelaten, ook al hebben wij ons menigmaal, helaas, voor sleur te schamen.

Het is op Jezus' bevel dat de mensen zich in groepjes verdeeld hebben. Indien de duizenden op één hoop hadden gestaan, zou een behoorlijke distributie hoogst bezwaarlijk zijn geweest; sommigen hadden wellicht een te grote hoeveelheid tot zich genomen en anderen, door de brutalen opzij geschoven, zouden te kort zijn gekomen.

In het Koninkrijk der hemelen heerst orde. De Heere laat Zijn gunstbewijzen niet uit voordat het uur der minne heeft geslagen; maar dan opent Hij Zijn hand ook onverwijld en de kleinste onder de kleinen ontvangt zijn rantsoen uit de Goddelijke overvloed.

Voor de jongeren is het ongetwijfeld een feestelijk werk geweest, met de gaven van hun Meester uit te gaan tot de hongerige menigte. Dat verstaat u die om Christus' wil in de stoffelijke noden van uw naaste kreeg te voorzien.

En niet minder u die een behoeftig gemaakte ziel op het Brood des levens mocht wijzen; u verheugde u erin als de ander met Mefiboseth aan 's Konings tafel aanschikte (2 Samuël 9:13). Dat de Heere u daarbij wilde gebruiken!

Waarlijk, Hij heeft u niet nodig; doch Hij verwaardigt u om een uitdeler Zijner menigerlei genade te wezen. Het blijft Zijn arbeid, u legt er geen eer mee in voor uzelf; maar het is toch groot, voor ten minste één hongerige, onder de leiding des Geestes, tot een hand en voet te zijn geweest.

Ds. E. van Meer

Juli 2016

DE NALEZING VAN DE HEERE

Lezen: Jesaja 55

'Zij namen op het overschot der brokken, twaalf volle korven.'

Mattheüs 14:20b

Nadrukkelijk wordt ons bericht: 'Zij aten allen en werden verzadigd.' Bij de Heiland vindt u geen hongerlijders!

Ten slotte beveelt Christus: 'Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga' (Johannes 6:12). Wij mogen naar hartenlust eten van wat de Heere ons toeschikt; maar het overgeblevene zullen wij niet vermorsen.

Een predicatie kan zó rijk voor u wezen dat u niet in staat bent alles op eenmaal te verwerken. Welnu, vergader de overgeschoten brokken; het zij u morgen of overmorgen tot verkwikking.

Indien een reiziger door het eenzame landschap is getrokken waar de Zaligmaker met de duizenden bijeen was en hij na de maaltijd bij het gezelschap aankwam, behoefde men niet te zeggen: 'Jammer, vriend! U had een uurtje eerder present moeten zijn dan had u mee kunnen genieten.' Want hij kon immers nog bediend worden uit één der twaalf korven.

De Heere zorgt ook voor de laatkomers. U hoort van een Avondmaalsviering waar kennelijk een rijke zegen viel. Nu betreurt u het te meer dat u die dienst moest verzuimen. Wees getroost, de goedheid Gods bewaart volle manden met heil ten bate van hen die na het gastmaal verlangend tot Hem krijgen op te zien.

Gedurende het rondbrengen van het voedsel hebben de discipelen geen gelegenheid aan zichzelf te denken. Doch als de honger der schare gestild is, mogen zij zich bij de korven neerzetten. De Heere vergeet Zijn knechten, de uitdelers, niet.

Hoe bemoedigend is deze waarheid voor de leraars en in het algemeen voor eenieder die op enigerlei wijze ten nutte van anderen door de Hemel gebruikt wordt. Het schijnt soms of zij er bij inschieten; doch na de ingespannen arbeid wordt hun een rustig uur bij de korven met brokken gelaten en ook zij worden verzadigd met brood en met vis.

Lere nog menige ziel, tot roem van Gods genade, de enige Gastheer nodig krijgen.

Ds. E. van Meer

Augustus - september 2016

 

DE HEILAND

Lezen: Mattheüs 11:16-30

'Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.'

Mattheüs 11:28

Over Mattheüs 11 ligt een waas van weemoed. De Heere Jezus heeft een tijd onder Israël gewerkt, Hij heeft Zijn woorden van eeuwig leven gesproken en Zijn daden des heils verricht. Wat is de uitslag van Zijn arbeid?

Daar naderden enige discipelen van Johannes de Doper met de vraag: 'Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een ander?' (3e vers).

De wegbereider van de Messias die met geestdrift op de Heere gewezen heeft, zit gevangen en geraakt in verlegenheid of Jezus van Nazareth wel de Christus is. Dat is de uitslag van Zijn arbeid.

Daar is vervolgens de publieke opinie. Men noemt Johannes die zich aan de wereld onttrok, een bezetene; maar de Heere Jezus, Die aan het dagelijkse leven gewoon deelneemt, scheldt men uit voor een vraat en wijnzuiper, een vriend van tollenaren en zondaren (19e vers). Dat is de uitslag van Zijn arbeid.

Daar zijn, ten derde, de steden aan het meer van Gennesaret, waar de Zaligmaker Zich veelvuldig heeft geopenbaard. Het 'Wee u!' moest over Chorazin en Bethsaïda worden uitgeroepen, omdat zij zich niet bekeerden; en Kapernaüm, dat door 's Heeren tegenwoordigheid hemelhoog verheven is, zal hellediep worden neergestoten. Dat is de uitslag van Zijn arbeid.

Wat zouden wij gedaan hebben? Wij hadden ons allicht, bedroefd of geërgerd, teruggetrokken en onze taak opgegeven.

Zo is het niet met Immanuël, Wiens spijze het is de wil des Vaders te doen. In de stilte der eeuwigheid heeft Hij reeds betuigd: 'Zie, Ik kom.' Hij breidde Zijn armen tot het wederstrevige volk uit, met innerlijke ontferming bewogen zijnde.

'Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde.' Nóg nodigt Hij, staande in een afkerige wereld: 'Komt herwaarts tot Mij.' Door Woord en Geest zal Hij vermoeiden en belasten blijven roepen, totdat de laatste gekende en gegevene des Vaders is ingezameld. Hij zal niet rusten, voordat alle Sionieten de Silo (Rustaanbrenger), de Goël (Verlosser), gevonden hebben.

Ds. E. van Meer

Oktober 2016

 

DE GEROEPENEN

Lezen: Psalm 6

'Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.'

Mattheüs 11:28

Misschien heeft de Zaligmaker deze woorden gesproken op een avond als de landlieden, moe en beladen met hun gereedschap, van de akker huiswaarts keren. Misschien ook heeft Hij gedacht aan een lastdrager met zware kisten en zakken op zijn rug.

In elk geval zijn de landlieden of de lastdragers een beeld van Israël, dat gebogen gaat onder het juk der Farizeeën. Men moet zichzelf voor Jehova welbehaaglijk maken door stipte wetsbetrachting. Het is: gebod op gebod en regel op regel. De inspanning om zich een eigengerechtigheid bij God op te richten mag nooit worden gestaakt en nimmer is er genoeg gedaan.

Met deernis aanschouwt Jezus de vermoeiden en belasten; Hij roept ze, van de blinde leidslieden weg, tot Zich.

Vanwege de doornen en distels, welke de aarde vanwege onze zonde voortbrengt, is ieder Adamskind vermoeid en belast. De Zaligmaker heeft evenwel bepaald diegenen onder ons op het oog die licht over hun verdorven bestaan en zicht op Gods heiligheid kregen. 'Er is een kloof tussen de Hemel en ons,' zo erkent de ontdekte zondaar, 'en wel door eigen schuld.'

Alle pogingen om de kloof te dempen of te overbruggen, falen jammerlijk. De vermoeide hoort satans sarrende stem: 'Er is voor u geen heil bij God.' De beladene leest in de Schrift veel bedreigingen die stuk voor stuk tegen hem gericht zijn, doch geen enkele bemoediging of belofte, waarop hij de hand mag leggen.

Zeker, er is verschil in trap en mate van beladenheid; maar allen belijden dat zij noch van zichzelf noch van de wereld enige verwachting kunnen hebben.

Gelukkig, wie door de bearbeiding des Geestes waarlijk vermoeid werd gemaakt; de Heere weet met de moeden een woord te rechter tijd te spreken. Tot Hem wordt vergaderd alle man die benauwd is, die een schuldeiser heeft en wiens ziel bitterlijk bedroefd is (1 Samuël 22:2).

Ds. E. van Meer

November 2016

 

EEN WOORD TE RECHTER TIJD

Lezen: Filippenzen 3:7-21

'Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.'

Mattheüs 11:28

Het komen tot Jezus sluit in dat wij de plaats verlaten waar wij ons bevinden.

Staat u nog op het standpunt van de Farizeeën - en zo is het met ieder van ons van nature gesteld - dan moet u de pogingen opgeven om uzelf de Heere aangenaam te maken.

Staat u op het standpunt dat u nog niet genoeg beladen zijt, of dat uw schuld te zwaar is, of dat uw heilbegeerte krachtiger dient te zijn - dan moet u uw eigen mening loslaten en letten op Jezus' stem, Die alle vermoeiden en belasten zonder uitzondering roept.

'Komt herwaarts tot Mij.' U zucht: 'Ach, is dat niet onmogelijk? De Mond der waarheid heeft immers gezegd: 'Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke' (Johannes 6:44). Zo is het.

Maar bedenk, dat de Vader u reeds getrokken heeft, anders zoudt u niet vermoeid en beladen zijn geworden. De Heere verlaat niet, wat Zijn hand begon. Hij trok u eerst in de aanvankelijke kennis van uw ellende en Hij zal u verder trekken, tot Zijn onuitsprekelijke Gave.

Dat geschiedt door middel van een geschonken geloof. Gelijk een bloem zich tot de zon keert en gelijk een magneetnaald zich naar het noorden richt - zo strekt een waar geloof zich naar Christus Jezus uit.

In het volgende vers verklaart de Zaligmaker Zich nader. 'Komen tot Hem' is: Zijn juk opnemen, Zijn zeggenschap en leiding aanvaarden; niet in slaafse vrees, doch in kinderlijk vertrouwen.

'Komen tot Hem' is tevens: van Hem leren, eigen onkunde erkennen en door Hem aangaande het heilgeheim onderricht worden.

Hij is het waard, dat de Zijnen Hem aanlopen als een waterstroom, want Hij is 'zachtmoedig en nederig van hart;' Hij is geen wrede tiran, die een hard juk oplegt, maar de barmhartige Hogepriester, Wiens last licht is.

Ds. E. van Meer

December 2016

 

  • © hersteld hervormde kerk 2020