Lezen: Exodus 33:1-17
“Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen?”
Exodus 33:14
Zwaar had Israël bij het gouden kalf misdreven, gezondigd tegen hun heilige God. En billijk was Gods toorn ontstoken tegen Zijn volk. Mozes, de middelaar van het Oude Verbond, stelde zich toen in de scheur, in de bres, voor de overtreders. En… Jehova liet Zich verbidden:
”Dies Hij zeide dat Hij hen verdelgen zou, tenware dat Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheur voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.” (Psalm 106:23)
De stammen werden niet verdelgd, maar mochten nog optrekken naar Kanaän. En de HEERE beloofde: Ik zal een engel voor uw aangezicht zenden: Daarmee was Mozes echter niet voldaan, want nu bleek het, dat de Eeuwige Zich nog niet geheel weer in gunst tot Israël had gewend.
Bedenkt het, lezers en lezeressen, wij hebben een volledige kwijtschelding, een volkomen begenadiging nodig. Een engel was Mozes niet genoeg. Daarom vroeg Jehova: “Zou Mijn Aangezicht, dat is: Zou Ik Zelf – moeten medegaan, om u gerust te stellen?”
En hartgrondig was het antwoord: “Ja, Heere! Doe ons van hier niet zonder U optrekken”. De grijze aanvoerder kende de gevaren van de woestijn, hij kende Israël als een moeilijk te leiden volk, hij kende ook zijn eigen onbekwaamheid.
Vriendelijk kwam zijn God hem nogmaals tegemoet: “Ook deze zaak zal Ik doen.”
Kunnen wij, wat Mozes niet kon: voortrekken zonder de Heere aan onze zijde? Dan wordt het een eeuwig omkomen!! Alleen den nederigen geeft de Heere genade.
Ds. E. van Meer
juli/augustus 2026
De HEER' zal u steeds gadeslaan,
Opdat Hij in gevaar,
Uw ziel voor ramp bewaar';
De HEER', 't zij g' in of uit moogt gaan,
En waar g' u heen moogt spoeden,
Zal eeuwig u behoeden.