Lezen: Exodus 20:1-17
“Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb.”
Exodus 20:2
De aanhef van de Wet des Heeren moet vooral niet overgeslagen worden. Zonder deze inleiding zouden de tien geboden gelijk zijn aan een stel koude bepalingen van een gestrenge Koning, waaraan slaafs gehoorzaamd moet worden.
Maar in wat voor een ander licht komt ‘s Heeren rijkswet te staan, als wij beginnen mogen met de herinnering aan Gods weldaden. Hij is geen ongenaakbare Tiran, Die Zijn wil aan ons oplegt. Integendeel! Wij horen de stem van de Goedertierene, Die met innerlijke ontferming bewogen is over het lot van Zijn volk. En daarom dit volk uit de harde dienstbaarheid bevrijdt.
Wie kennis kreeg aan de verlossing die in Christus Jezus is, diegene wordt aangedreven tot de vraag: Wat zal ik, met Gods gunsten overladen, die trouwe Heere voor Zijn genade vergelden?
Maar dan hebben niet wij dat te beslissen, hoe wij God dankbaarheid zullen bewijzen. Nee, dat moet de Oppermajesteit Zelf bepalen.
Is er dan geen dreiging in de Wet? Zeer zeker, dat ook. De Heere zal niet ongestraft laten, wie Zijn inzettingen schendt, tenzij…. wij in Immanuel gevonden worden, Die plaatsbekledend voor Zijn gunstgenoten de wet volkomen vervulde en Wiens volkomen gerechtigheid hun wordt toegerekend.
Daarom, sta toch naar en zoek de uitleiding uit het diensthuis van de zonde, en maak vast de inlijving door het geloof in de Borg en Middelaar, Jezus Christus, Gods Zoon.
Ds. E. van Meer
Maart/april 2026
Wat zal ik, met Gods gunsten overlaân,
Dien trouwen HEER’ voor Zijn genâ vergelden?
’k Zal, bij den kelk des heils, Zijn Naam vermelden,
En roepen Hem met blijd’ erkent’nis aan.